Hoe leer ik voor Geschiedenis? 10 tips

Hoe haal je mooie cijfers voor geschiedenis? Goed voorbereid zijn op een toets of tentamen vraagt meer dan alleen huiswerk maken. Bekijk de tips hieronder, voor onder- en bovenbouw, en ontdek slimme uitleg en online oefenlinks bij tip 10. Vragen of suggesties? Mail naar info@ting.nl

1. Spullen op orde!

Boeken en schrift: Zorg dat je het basisboek en werkboek van de methode hebt, plus een collegeblok of schrift. Maak aantekeningen van wat de docent zegt, vooral over zaken die niet duidelijk genoeg in het boek staan, hier komen vaak toetsvragen over. Gebruik je schrift ook voor samenvattingen.

  • PowerPoints: Print eventueel de PowerPoints van de docent uit (uit de ELO/Magister).
  • Pennen: Zorg voor twee pennen, bijvoorbeeld blauw en rood, om na te kijken en te verbeteren.
  • Veelgebruikte methoden: Feniks, Geschiedeniswerkplaats, Memo, Forum, GS Compact, Tijd voor Geschiedenis, Saga.

2. Wat leer je?

Bij geschiedenis leer je het verleden op te delen in 10 tijdvakken. Elk tijdvak heeft specifieke jaartallen, namen en zogenoemde ‘kenmerkende aspecten’: korte samenvattingen die delen van het tijdvak beschrijven.

Onderbouw

brugklas: je maakt kennis met tijdvak 1 t/m 4
2e klas: tijdvak 5 t/m 8
3e klas: tijdvak 9 en 10

Bovenbouw

In de bovenbouw verdiep je je kennis door de 49 kenmerkende aspecten te bestuderen die over de 10 tijdvakken zijn verspreid. Je leert te herkennen of een kenmerkend aspect politiek, economisch, sociaal of cultureel van aard is.

Vakvaardigheden

Zowel in de onder- als bovenbouw oefen je met ‘vakvaardigheden’, ook wel historische vaardigheden genoemd zoals:

  • Broninterpretatie: Hoe betrouwbaar is een bron? Feit versus mening: Wat is het verschil? Oorzaak/ aanleiding versus gevolg
  • Tijd- en plaatsgebondenheid: hoe beïnvloeden tijd en plaats het verhaal?
  • Verandering versus continuïteit: wanneer is iets veranderd, wanneer niet?

3. In de klas

  • Maak aantekeningen van de tips en uitleg van de docent.
  • Doe actief mee bij het oefenen met historische vakvaardigheden en maak aantekeningen.
  • Doe mee aan het klassikaal doornemen van het huiswerk.
  • Verbeter fouten met een andere kleur pen, zodat je snel kunt zien wat je nog lastig vindt.
  • Stel vragen aan de docent als je een opgave niet begrijpt.

Bovenbouw? Bewaar je aantekeningen van voorgaande jaren tot en met de eindexamenklas!

4. Plannen van je huiswerk

Kijk eerst hoeveel opgaven je moet maken. Zijn het er te veel om in een keer te doen, bijvoorbeeld door andere vakken of omdat je nog moet sporten of naar muziekles?
Spreid ze dan over meer dagen in jouw planagenda!

5. Huiswerk maken

Begin altijd met het aandachtig lezen van het hoofdstuk. Dit is essentieel want geschiedenis draait om het ‘begrijpend lezen’ van tekst, bronnen en vragen. Vraag je steeds af: wat lees ik hier en wat wordt er van mij verwacht?

  • Maak altijd al het opgegeven huiswerk.
  • Snap je een vraag niet? Laat deze open en schrijf erbij: ‘docent vragen!’
  • Lees de uitleg over de vakvaardigheid die wordt geoefend in het hoofdstuk en pas die toe op de bronnen in het werkboek.
  • Maak bij elke paragraaf een mini-samenvatting: noteer de kernvraag en een beknopt antwoord.
  • Maak een tijdlijn met jaartallen en gebeurtenissen, waar mogelijk.
  • Kijk naar de ‘leidende vragen’ en zorg dat je die kunt beantwoorden: wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe?
  • Leer de ‘kenmerkende aspecten’ per tijdvak; zorg dat je elk aspect met een voorbeeld en bron kunt uitleggen.

6. Ik begrijp het niet!

Kom je er bij een bepaalde opgave niet uit? Zoek een uitlegfilmpje op YouTube of vraag hulp aan een vriend(in), klasgenoot of familielid. Bekijk eventueel de uitwerking in het antwoordenboek, maar zorg dan wel dat je die echt goed begrijpt, klakkeloos overnemen helpt niet. Nog steeds vragen? Vraag je docent om hulp!

7. Huiswerk nakijken

• Zorg dat je de juiste antwoorden hebt op de opgaven uit het werkboek.
• Let goed op tijdens de les als de docent het huiswerk bespreekt. Is het niet besproken? Vraag om de juiste antwoorden, zodat je goed voorbereid bent voor de toets!
• Verbeter je antwoorden met een andere kleur pen; zo zie je snel wat extra aandacht nodig heeft.

8. Verschillende soorten vragen; hoe ga je ermee om?

A. Vraag met een tekstbron

  1. Lees eerst de bron goed door: in welke tijd speelt dit zich af, wie is er aan het woord en waar gaat het over?
  2. 2. Lees dan de vraag door en antwoord als volgt:
    ◦ Begin met: ‘Ik lees in de bron dat…’ (geef een citaat uit de bron).
    ◦ Voeg toe: ‘Ik weet/heb geleerd dat…’ (informatie die je uit de les of het boek hebt).
    ◦ Sluit af: ‘En dus concludeer ik dat…’ (herhaal de vraag als conclusie).

B. Algemene vraag

  • Lees de vraag aandachtig door en zorg dat je zeker weet wat er precies wordt gevraagd: moet je voorbeelden noemen, een verklaring geven, of een verband uitleggen?
  • Als de leerstof goed in je hoofd zit, komt het antwoord vaak vanzelf al naar boven.
  • Herhaal de vraag in je antwoord, voeg ‘omdat’ toe en werk het antwoord verder uit op basis van je kennis.
  • Beantwoord eventuele deelvragen één voor één om volledig te zijn.
  • Bevat de vraag een begrip? Zorg dat je dit begrip uitlegt in je antwoord en leg het verband met de vraag.

C. Waarom-vraag? Gebruik de OUD methode

  • O = Omdat: Begin je antwoord door de vraag te herhalen en voeg ‘omdat’ toe.
  • U = Uitleg: Dit is het tussendeel van je antwoord. Geef hier historische informatie die een antwoord biedt op de vraag.
  • D = Daarom/Daardoor: Sluit je U(itleg) af met ‘daarom’ of ‘daardoor’ en herhaling van de vraag, als conclusie.

9. Voorbereiden toets

Succesplanning. Maak maximaal 1,5 week voor de toets een slimme planning in je planagenda. Deel de stof op in behapbare stukken en verdeel deze over een paar dagen: wat ga ik wanneer doen? Zorg dat je de dag voor de toets alleen nog maar hoeft te herhalen. Valt je toets in de toetsweek? Raadpleeg Toetsweekplanner – TING studiecoaching voor formats om je planning te maken.

Onderbouw

  • Lees het hoofdstuk goed door en maak een uittreksel (als je dat nog niet had gedaan). Begrijp de deelvragen en leer ze uitleggen aan de hand van de tekst.
  • Maak een tijdlijn met jaartallen en gebeurtenissen.
  • Leer begrippen, de samenvatting en tijdlijn.
  • Lees de vakvaardigheden per hoofdstuk en pas deze toe op bronnen.
  • Neem PowerPoints en aantekeningen van de docent door.
  • Herhaal moeilijke opgaven uit het werkboek.
  • Werkt jouw school met een online methode? Oefen dan online! Vraag je docent.

Bovenbouw

  • Lees de stof goed door en maak een uittreksel (als je dat nog niet had gedaan).
  • Maak een tijdlijn met jaartallen en gebeurtenissen.
  • Leer tijdvakken, kenmerkende aspecten, begrippen, samenvatting en tijdlijn.
  • Vakvaardigheden komen op elke toets terug in de vorm van bronnen-vragen. Oefen met oude examens en kijk deze na.
  • Werkt jouw school met een online methode? Oefen dan online! Vraag je docent.

10. Online uitleg + online oefenen

1 Reactie

  1. Vatima

    Dit help wel maar wat is een uittreksel?

    Antwoord

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *